Over bussen, camions en een zottin
Verslagen Argentina
21- 24 juni.
 
Eigenlijk is er hier in het uiterste Noorden van Argentinië niet veel verkeer. En eigenlijk houdt het andere verkeer wel rekening met ons. Het moet ook wel, nu één van onze wandelstokken uitsteekt en er fier een dik rood lint aan hangt. Het is dan ook het lint van Gauchito Gil, de patroonheilige van het Argentijnse verkeer. En toch heb ik de laatste weken soms heel opgejaagd achterop gezeten.
Ondanks Gil, reden sommige bussen toch nog angstaanjagend dichtbij.  Wat  elke keer  een  verhoogde  hartslag opleverde:  door  hun
<<
snelheid, brengen ze ook een windstoot mee, wat ons dan elke keer even aan het zwenken brengt.
Maar als ze ons op langere etappes meerdere keren voorbij rijden, bloeit er toch een liefdevolle relatie. Er wordt dan gezwaaid, getoeterd, met de lichten geknipperd, en daar gaat dan weer die duim omhoog.

Er is een verschil in toeteren, weet ik nu ook. Er is het aanmoedigende getoeter 'Tuut tuut tuut tuut tuut', het voorzichtige getoeter 'tut' en er is het opdringerige getoeter van camioneurs 'tuuuuuuut'.
Van  dat  laatste soort word ik zeer ambetant.  En het wekt ook agressie

op. Sommige camioneurs willen ons liever helemaal niet op de weg hebben. Asfalt ligt er alleen voor hen, en wij zouden maar op de ripiostrook moeten rijden. Een 'tuuuuuuut' doet ons vloeken, en Koen reageert daar dan op met zijn defensieve rijstijl.
Net iets meer in met midden van de baan gaan rijden, en dan is het hek helemaal van de dam natuurlijk. Ik probeer het nog
met oogcontact, verstoord naar het gezicht achter de camioneursruit kijken, al ging mijn arm de laatste weken soms toch spontaan omhoog.
Een keer is er camion langs de baan gestopt, hij was ons op een helling
/\
én in een bocht aan grote snelheid voorbijgevlogen. Maar het  duurde blijkbaar te lang eer we bij hem waren, en dus is hij vloekend verdergereden.
Maar als ik aan het 'bangelijkste' moment denk, begin ik nog te trillen. We fietsten een klein dorpje binnen, een beetje bergop. Al van ver zagen we een vrouw langs de baan staan. Toen we bijna boven
waren, zag ik dat de vrouw met een steen in haar hand stond. We zeiden vriendelijk "Hola", toen de vrouw in een onbegrijpelijke taal naar ons begon te schreeuwen. De steen miste zijn doel en kaatste op het wegdek naast ons.
Toen we omkeken, zagen we dat de vrouw nu ook achter ons aan was beginnen te lopen. Haar geschreeuw hield niet op. Een andere steen vloog voorbij. Mijn hart klopte in mijn keel. We probeerden zo snel mogelijk weg te komen. Ik was vooral bang dat er een steen mijn rug zou raken. Koen liet weten dat hij vooral met de spaken had ingezeten. In een extreme situatie heeft een mens toch soms rare gedachten.

Lotje